Dec. 2023 - jan. 2024, 18e jg. nr.3. Eindredactie: Rob den Boer. E-mail: redactie.bkj@gmail.com.
 

Wybrand Hendriks: Een spelend genie

Kunstenaar, conservator, kastelein, restaurator, bestuurder, verzamelaar, kunsthandelaar, netwerker, dat waren de werkzaamheden van Wybrand Hendriks tijdens zijn dienstverband bij het Teylers Huis en Museum, tussen 1785 en 1820.

Door Joke M. Nieuwenhuis Schrama

Bijna vijfendertig jaar was Wybrand Hendriks (1744-1831) werkzaam voor het Pieter Teylers Huis en het aanpalende museum. Dat bestond toen alleen nog uit de Ovale Zaal. Vraag het aan een willekeurige kunstliefhebber, kunstrecensent of journalist, dan zal zijn naam hen wellicht bekend voorkomen, maar weinig kunnen zijn werken direct benoemen. Daarmee wordt Hendriks tekort gedaan. Deze tentoonstelling brengt een ode aan een wat vergeten kunstenaar, ondergesneeuwd door alle kunststromingen die na hem ontstonden. De thematische tentoonstelling is verdeeld over de grote expositiezaal en het prentenkabinet.

"Bewooner of Castelein van het fundatiehuis van wylen de Heer Pieter Teyler van der Hulst"
Die functie ging Hendriks vervullen bij het in dienst treden op 20 juni 1785, waarbij er een wat meer uitgebreide functieomschrijving met heel wat verantwoordelijkheden op hem wachtte. Hendriks werd gekozen uit negen kandidaten en was in al die jaren een zeer gewaardeerd kastelein, tot aan zijn zelf ingediende en hem eervol verleende ontslag in 1820.

Bij de functie van 'Castelein' had ik aanvankelijk een corpulente kroegbaas in gedachten, met voorschoot om en een glazendoek over zijn schouder. Maar dat beeld past niet bij Hendriks, het beroep kastelein had toen ook de betekenis van (onder meer) plaatsvervangend kasteel- of burchtheer, een soort rentmeester. Hendriks diende ervoor te zorgen dat alles in het complex, dus woonhuis en het 'Musaeum' dat in 1774 was geopend, netjes verliep. Daarnaast was hij verantwoordelijk voor de collecties en de uitbreiding daarvan.

Voor de stad Haarlem ontplooide hij ook diverse culturele, sociale en maatschappelijke activiteiten. Een mooi voorbeeld is zijn betrokkenheid bij de (her)oprichting van de Haarlemse Teekenacademie. Sinds 1777 was hij al een van directeuren bij deze academie, die als doel had 'Arme kinderen so uijt de Godshuijsen van alderleij gesintheijd' in de tekenkunst te onderwijzen. Dat Hendriks een duizendpoot was, heeft hij in die vijfendertig jaar absoluut bewezen. Deze tentoonstelling gaat echter voornamelijk over zijn kunst en kunde. Hendriks was zowel een uitstekend tekenaar als schilder.

Stadsacademie voor de Teekenkunst Amsterdam
Zijn kunstopleiding kreeg Hendriks in Amsterdam, twee avonden per week, vanaf 1765 bij de 'Stadsacademie voor de Teekenkunst'. Overdag hielp hij zijn vader in diens beeldhouwatelier, dus de liefde voor de kunsten was hem wel meegegeven. Drie tekenwerken waarmee hij in de prijzen viel tijdens zijn academietijd in 1772,1773 en 1774, zijn op de tentoonstelling te zien. Dat hij talentvol was, wordt in de selectie van zijn werken in Teylers Museum zeker duidelijk.

Bij het thema 'Kastelein en Directeur' is zijn zelfportret sterk uitvergroot op een wand, in de vorm van een soort 'wallpaper'. Hendriks schilderde het in 1807, in olieverf op paneel. De kunstenaar was toen rond de drieënzestig en hij doet me een beetje denken aan Rembrandt op die leeftijd, ook al door de muts of baret die hij losjes op zijn hoofd heeft gezet. Wat meer flamboyant heeft hij zich uitgebeeld met hoge hoed, samen met zijn vrouw Agatha Ketel, ergens tussen 1791 en 1800, in olieverf op paneel. Een aardig tafereeltje, naar alle waarschijnlijkheid in het Teylers Huis. Je ziet Hendriks iets uitleggen aan zijn vrouw (of hij probeert dat), terwijl zij min of meer toeluistert, maar niet erg onder de indruk lijkt te zijn en zich mogelijk zelfs gestoord voelt in haar bezigheden. Het kan zelfspot zijn geweest van de kunstenaar, omdat hij zijn vrouw wel op de voorgrond heeft geschilderd, of was het toch een uitbeelding van 'mansplaining' (neerbuigend gedrag ten opzichte van een vrouw)?

Kunstenaar als taak
Hendriks' tekenvaardigheden zijn ook te bewonderen in Teylers Museum. Er hangen onder meer drie werken met pen en penseel in grijze inkt, op papier. Het zijn natuurgetrouwe tekeningen, onder andere van het beroemde fossiel de 'Mosasaurus' uit 1803. Deze tekeningen maakte hij naar aanleiding van de collectie fossielen in Teylers Museum, in nauwe samenwerking met zijn collega Martinus van Marum (1750-1837). Die fossielen zelf zijn nog steeds te bekijken in de fossielenzaal.

De ruimte in het Teylers Huis die Hendriks als atelier zou gaan gebruiken, liet hij om lichttechnische redenen verbouwen. Een blinde muur werd eruit gesloopt en vervangen door één met ramen, zodat hij beter licht vanuit het noorden kon vangen ten behoeve van zijn teken- en schildersbezigheden. Mogelijk ook om oog te kunnen houden op wat er zich afspeelde in de vergaderkamer van de directie beneden, het observatorium op het dak, en de binnentuin. Die binnentuin is overigens ontworpen door Leendert Viervant (1752-1801), de architect die ook de Ovale Zaal op zijn naam heeft staan. Want die bezigheden zaten ook in Hendriks' takenpakket, zoals zijn biograaf en tijdgenoot Adriaan van der Willigen dat heeft verwoord:
'Zijne omstandigheden van dien aard zijnde, dat hij niet bepaaldelijk voor den kost behoefde te arbeiden, doorliep zijne spelende genie schier alle vakken der kunst'.

Portretten
Hendriks kon zich dus het een en ander veroorloven en niet iedere kunstenaar in zijn tijd verkeerde in die gunstige omstandigheden. Evengoed kon hij zijn talent hierdoor ten volle benutten en schilderijen maken in de diverse genres, zoals landschappen, stadsgezichten, stillevens, wildstukken, portretten...

Naast zijn takenpakket voor het Teylers complex kreeg hij ook opdrachten om de Amsterdamse en Haarlemse elite te portretteren. Die zette hij heel natuurgetrouw neer, soms zelfs karikaturaal, zoals in het dubbelportret van het echtpaar Jacob Feitama en Elisabeth de Haan, dat Hendriks schilderde in 1790. Met nogal minzame blikken kijken ze ons aan en Elisabeth zit daar zelfs prominent te wezen, ten voeten uit. Zij was het poseren mogelijk goed zat geworden, want haar benen zijn onappetijtelijk wijd uiteengevallen onder haar fluwelen of zijden rokken. Ook loten van de bekende Haarlemse familiestam Enschedé werden door Hendriks vereeuwigd in olieverf op doek. Het is allemaal nog in de pruikentijd, vooral de exemplaren van de dames zijn protserig en moeten nog al wat gewogen hebben, zeker als er ook een hoed met veren bovenop werd gezet.

Muizenvanger
In het Teylers Huis was ook een witte kat aanwezig, in ieder geval tussen 1790 en 1800, want in die tijd is het dier, zonder naamsvermelding, door de kunstenaar geaquarelleerd. De poes of kater is aardig uit de waterverf gekomen bij Hendriks, met een mooi 'colorpoint' op het voorhoofd. Het dier was naar verluidt vooral belast met de taak om de muizen of ratten buiten de deur te houden.

Even verderop kom ik de kat weer tegen op Hendriks' werk 'De hoofdingang van het hofje van Bakenes in Haarlem', dat hij schilderde tussen 1815 en 1818 in olieverf op paneel. Misschien is de kat de kunstenaar achterna gelopen, langs de gracht, op weg naar het beoogde stadsgezicht, het hofje ligt niet ver van het Teylers Huis. Het is fantasie, maar niet ondenkbaar, evengoed zou het dier dan al oud zijn geweest. Het hofje is er nog steeds (zij het intussen wel wat uitgebreid), vanuit het museum is het vier minuten lopen. Hendriks zocht zijn onderwerpen dus ook graag dichtbij.

Wybrand Hendriks was hier! Teylers Museum, Haarlem, t/m 7 januari 2024. Website: www.teylersmuseum.nl.

Bij deze tentoonstelling is een rijk geïllustreerde catalogus verschenen met bijdragen van de curatoren en vele anderen. Naast een overzicht van Hendriks' kunstzinnige activiteiten, staan er ook uitgebreide beschrijvingen in van zijn werkzaamheden voor het Teylers Huis en Museum, alsmede zijn familieleven en zijn culturele, sociale en maatschappelijke betrokkenheid bij de stad Haarlem (ISBN 97894626223828).